2.1 Natuurlijke radioactieve straling om ons heen.

 

Bij het ontstaan van de aarde waren er stabiele maar ook niet-stabiele nucliden aanwezig. Van de niet stabiele nucliden (radionucliden) met een hele lange halveringstijd (zoals Uranium-238 met een halveringstijd van 450 miljoen jaar, Kalium-40 met een halveringstijd van 1,3 miljard jaar) zijn er nog steeds kleine hoeveelheden in de aardkorst aanwezig, deze stoffen worden primordialen genoemd. De hoeveelheid verschilt per bodemsoort. In rivierklei zoals in de Betuwe zit meer radioactief materiaal dan in zandgrond zoals op de Veluwe.

 

Met name kalium uit de bodem wordt opgenomen door planten. Via planten komt het radioactieve materiaal ook in het voedsel en daarmee in de mens. Dit is een normaal proces. Een mens bevat daardoor van nature al een zekere hoeveelheid radioactieve stof. Gemiddeld is dit ongeveer 8000 becquerel.

Daarnaast vervalt het uranium en thorium uit de bodem waarbij met name de vervaldochters Radon-222 en Radon-220 (ook thoron genoemd omdat deze radonisotoop ontstaat bij verval van thorium) zorgen voor een significante bijdrage aan de jaardosis. Dit komt omdat radon een radioactief gas is dat kan worden ingeademd.

 

Behalve natuurlijke straling uit de aarde komt er ook straling vanuit de ruimte, onder andere door kernreacties in de zon en andere sterren. Deze zogenaamde kosmische straling wordt voor een deel tegengehouden door onze atmosfeer. Maar als we in een vliegtuig op 10 km hoogte vliegen zal de beschermende luchtlaag minder zijn en dus het stralingsniveau hoger. Hetzelfde geldt voor het stralingsniveau in de bergen. Een ander effect van de kosmische straling is dat botsingen van deze straling in de bovenste luchtlagen ervoor zorgen dat er nog een tweetal radioactieve stoffen gevormd worden: Koolstof-14 en tritium. Ook deze twee stoffen komen in onze voeding terecht en daarmee in ons lichaam. Het Koolstof-14 met zijn halveringstijd van bijna 6000 jaar kan daarom gebruikt worden voor ouderdomsdateringen.

 

<vorige - volgende>