4.4 Bescherming tegen radioactieve besmetting

 

Bij het werken met radioactieve vloeistoffen of poeders ben je niet alleen blootgesteld aan de straling die de radioactieve stof uitzendt, maar bestaat er ook een kans dat de stof zelf op of in je lichaam komt. Dit wordt respectievelijk een uitwendige of inwendige radioactieve besmetting genoemd. Radioactieve vloeistoffen en poeders vind je alleen in speciale laboratoria en in ziekenhuizen. Ze mogen alleen gebruikt worden in een omgeving die speciaal ontworpen is om besmettingsrisico’s zo klein mogelijk te houden. Verspreidbare radioactieve stoffen vind je echter ook in andere omgevingen, zoals bij mijnbouw en olie- en gaswinning. Dit zijn stoffen van natuurlijke oorsprong, zoals radioactief uranium, thorium en kalium uit de aardkorst.

Ook tegen besmettingen kun je je goed beschermen. De bescherming kun je in vier stappen beschrijven:

 

1. Beperking van de hoeveelheid radioactiviteit.
In laboratoria geldt de regel dat je alleen radioactieve stoffen mag gebruiken als je hetzelfde experiment niet zonder radioactieve stof zou kunnen uitvoeren. Daar bovenop moet je altijd zo weinig mogelijk radioactiviteit gebruiken. Hoe minder verspreidbare radioactieve stof, hoe minder kans op besmetting.

 

2. Voorkomen van verspreiding.
Als een radioactieve stof zich niet verspreidt, bijvoorbeeld als damp of stofdeeltjes in de lucht, dan kun je het ook niet zomaar binnenkrijgen. Je kunt verspreiding voorkomen door de radioactieve stof altijd in een gesloten potje te vervoeren. Bij het bewerken kun je in een speciale werkplek met luchtafzuiging werken (een zuurkast), eventueel zelfs een gesloten kast waar je alleen via een handschoen je handen in kunt steken. Andere eenvoudige beschermingsmaatregelen zijn het wassen van je handen na het werk of het gebruik maken van beschermende kleren die je in de werkruimte achterlaat. Zo neem je niet ongewild radioactieve stof mee naar huis.

 

3. Luchtzuivering.
Als er al radioactieve stof in de lucht is gekomen, of er is een radioactieve damp vrijgekomen, dan is het belangrijk dat je in een ruimte werkt waar veel ventilatie is. In laboratoria en ziekenhuizen gelden hiervoor strenge regels. Uiteraard wordt de besmette lucht niet zomaar naar buiten geblazen: het ventilatiesysteem heeft filters die de radioactieve deeltjes uit de lucht kunnen filteren.

 

4. Voorkomen van inademen of inslikken van radioactieve stof.
Normaal gesproken is het voldoende ervoor te zorgen dat je niet eet en drinkt wanneer je aan het werken bent met radioactieve stoffen en dat je alleen in goed geventileerde ruimtes werkt. Wanneer je toch iets moet doen in een slecht geventileerde ruimte met een radioactieve besmetting, bijvoorbeeld bij een ongeval, dan kun je gebruik maken van een adembeschermingsmasker. Hierin zitten filters om de radioactieve deeltjes uit de lucht te filteren voordat je ze inademt.

 

Wanneer je toch onverwacht een radioactieve stof binnenkrijgt, is het belangrijk contact op te nemen met de bedrijfsarts of met een stralingsarts. Die kan bepalen hoeveel je hebt binnengekregen en of er een risico is. Soms kan het helpen om veel water te drinken en zo de stof sneller uit te plassen. Als je radioactief jodium hebt binnengekregen, kan je door (niet-radioactieve) jodiumpillen te slikken het radioactieve jodium sneller uit je lichaam verdrijven. Bij een kernongeval worden daarom meestal aan de bevolking in de directe omgeving jodiumpillen uitgedeeld. Dit is alleen nuttig als er inderdaad veel radioactief jodium is vrijgekomen en als je er snel bij bent. In andere omstandigheden wegen de bijwerkingen van het jodium slikken niet op tegen het mogelijke voordeel.

 

<vorige